Learning Dutch

Reflexive Verbs and Pronouns in Dutch

REFLEXIVE PRONOUNS (Wederkerende voornaamwoorden)

Reflexive Verbs are used with a reflexive pronoun. The verb zich voelen (to feel) is used as an example here.

Ik voel me niet goed. ( I don´t feel well.)

Jij voelt je altijd goed. (You always feel well.)

U voelt zich/u niet goed? ( You don´t feel good?)

Hij/Zij voelt  zich prima. (He/She feels fine.)

Wij voelen ons genomen. (We feel fooled.)

Jullie voelen je belazerd. (You feel taken for a ride.)

Zich voelen zich gebruikt. (They feel used.

Where to put the reflexive pronoun

  • You put the reflexive pronoun directly after the first verb in the sentence:

Ik schaam me dood.  (I´m so embarrassed.)

Je moet je niet met zijn zaken bemoeien. (You mustn´t interfere in his affairs.)

  • Whenever inversion occurs, which means that you move the verb in front of the subject, the reflexive pronoun doesn´t move. The reflexive pronoun now follows the subject.

Billy verveelt zich thuis. ( Billy´s bored at home.)

Waarom verveelt hij zich thuis? (Why is he bored at home?)

  • Be aware that you may end up with je je.

Vergis je je nooit? ( Are you never mistaken?)

Examples:

Schrijven  zij zich dit jaar in voor de Vierdaagse? / Schrijven zij zich dit jaar voor de Vierdaagse in? (Have they signed up for the marches this year?)

Geef jij je op voor die cursus Nederlands? / Geef jij je voor die cursus Nederlands op? (Do you give up for that course in Dutch?)

Hij vergist zich nooit in de weg in het buitenland. / Hij vergist zich in het buitenland nooit in de weg. (He never makes any mistake in the way abroad.)

We kunnen ons nog aanmelden voor het nieuwe studiejaar. / We kunnen ons nog voor het nieuwe studiejaar aanmelden. (We can still register us for the new academic year.)

Jullie verheugen je toch wel op het etentje? (You rejoice anyway at the dinner?)

Het kind vermaakt zich prima met een balletje. (The child entertains himself with a ball.)

Maarten en Tineke interesseren zich buitengewoon voor lekker eten. (Maarten and Tineke are keenly interested in tasty food. )

Ik moet me nog informeren over de inschrijfprocedure. / Ik moet me nog over de inschrijfprocedure informeren. (I have yet to inform me about the registration procedure.)

Heb je je al ingeschreven voor de talencursus? (Have you already signed up for the language course?)

Wij hebben ons vergist in het niveau van de talencursus. (We have made a mistake in the level of the language course.)

Vragen jullie je ook af wat we vandaag gaan doen? (wonder you  also what are we going to do today?)

Als ze een talencursus volgt, kan ze zich beter redden. (If they follow a language course, she can better cope.)

Meneer Pauwels, herinnert u zich nog dat ik me heb aangemeld voor die cursus? (Mr. Pauwels, you remember that I signed up for the course?)

Hij heeft zich nooit aan mij voorgesteld. (He has never proposed to me.)

Het kind speelt met een bal en vermaakt zich prima!  (The child plays with a ball and amuses himself just fine!)

Ik ga me meteen opgeven voor dat baantje als caissière. ( I’m going to right away give up for that job as a cashier.)

Die jongens interesseren zich niet voor taal en cultuur. (Those guys are not interested in language and culture.)

Ik verheug me erg op die tijd in het buitenland! (I am looking forward to that time abroad!)

REFLEXIVE VERBS / WEDERKERENDE WERWOORDEN

Reflexive verbs are verbs which have as their object a reflexive pronoun. The concept is known to English but is not nearly as common. For example, the verb “to shave” can be used in two ways: “I shave every day” or “The Barber shaved me”. In Dutch the verb scheren must have an object: that is to say, if you are not shaving someone else (e.g.De Kapper schoor me) then you must be shaving yourself and must thus say so, i.e.Ik scheer me iedere dag.To omit this reflexive pronoun would be incorrect.

  • Some reflexive verbs can also take a direct object and thus behave as transitive verbs at the same time:

Ik herinnerde me hem erg goed. (I remembered him very well.)

Zij kon het zich niet veroorloven. (She could not afford it.)

Note: If a reflexive verb governs a direct object het (althought most reflexive verbs are intransitive), the het precedes the reflexive pronoun, as it is unstressed:

Hij herinnerde het zich niet meer.  (He didn´t remember (it) any more.)

Ik Kan het me niet veroorloven. (I can´t afford it.)

Compare the following objects where there is greater stress and thus the reflexive precedes the object:

Hij herinnerde zich mijn moeder niet meer.  (He didn´t remember my mother any more.)

Ik kan me geen auto veroorloven.  (I can´t afford a car.)

Ik kan me dat niet veroorloven. (I can´t afford that.)

 

  • There are basically two sorts of reflexive verb:

a) Those that are always reflexive.

b) Those that may be used reflexively but which can also be used as transitive verbs with direct objects ( such as scheren above)

The reflexive pronouns are as follows:

Exanples:

Ik heb me gewassen. ( I washed (myself) etc)              Wij hebben ons gewassen.

Jij hebt je gewassen.                                                          Jullie hebben je gewassen.

U hebt u gewassen.                                                             U hebt u gewassen.

U heeft zich gewassen.                                                       U heeft zich gewassen.

Hij heeft zich gewassen.                                                  Zij hebben zich gewassen.

Zij heeft zich gewassen.

Het heeft zich gewassen.

The reflexive u should be used with hebt and zich with heeft, i.e. a second person reflexive pronoun with a second person verb and a third person reflexive pronoun with a third person verb, althought in practice one will hear u hebt zich ( but not u heeft u). When the subject pronoun and the reflexive stand side by side, i.e. when they are not separated by other words, there is a define preference for zich, u u being considered unpronounceable:

Heeft u zich vergist? (rather than Hebt u u  vergist?) – Where you mistaken?

Denkt u dat u zich vergist heeft? ( rather than Denkt u dat u u  vergist hebt?) – Do you think you were mistaken?

Note also: Heeft u dat boek bij zich? or Hebt u dat boek bij u? – Do you have that book on you?

Note: All reflexive verbs in Dutch are conjugated with hebben, unlike in Romance languages. Exception : zich rot / Kapot schrikken ( to get a terrible shock/fright), e.g. Ik ben me rot geschrokken ( I got a terrible shock).

 

Verbs that are always reflexive

zich aanstellen  (to show off, carry on)

zich afvragen  (to wonder)

zich begeven (to proceed, make one´s way )

zich bemoeien met  (to proceed, make one´s way)

zich bevinden (to find oneself)

5 Comments on “Reflexive Verbs and Pronouns in Dutch

  1. Its like you read my mind! You appear to understand a lot approximately this, such as you wrote the ebook in it or something. I think that you can do with some % to force the message home a little bit, however instead of that, that is wonderful blog. A great read. I will certainly be back.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *